Het bouwproces.



1. De opdrachtgever:


De opdrachtgever is degene die iets wil laten bouwen.
De directeur van een bedrijf wil een nieuwe fabriek laten bouwen, iemand wil een nieuw huis laten bouwen, een schoolbestuur wil een nieuwe school laten bouwen, een vereniging wil een clubgebouw, maar ook bijvoorbeeld de gemeente die een nieuw woonwijk of een nieuw winkelcentrum wil laten bouwen. Al deze instellingen geven de opdracht om iets te laten bouwen en zijn daarom de opdrachtgever.

De opdrachtgever benoemt ook een Arbo-co÷rdinator, deze zorgt voor goede arbo omstandigheden op de bouwplaats.

2. Grond zoeken:


Als je iets wil laten bouwen moet je een plaats zoeken waar grond beschikbaar is, je hebt bouwgrond nodig.
Als je ergens een huis wil laten bouwen wil je ook dat die plek aan bepaalde eisen voldoet zoals:

Wat is de afstand naar je werk?
Hoe is het met het openbaar vervoer en de wegen?
Zitten er scholen in de buurt voor de kinderen of een winkelcentrum?

Voor een fabriek of bedrijf zijn de eisen weer anders:

Is het bedrijf goed bereikbaar ( dicht bij een snelwegen ).
Zijn er later eventueel nog uitbreidingsmogelijkheden.

Het kadaster:


Topografische kaart.

Als je een stuk grond nodig hebt om te bouwen kun je in de krant kijken, je kunt bij je gemeente informeren of er ergens grond te koop is, je kunt op internet zoeken of je kunt naar het Kadaster.

Het Kadaster valt onder het ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieu ( VROM ).
Het kadaster houdt bij welke onroerende goederen er zijn ( gebouwen en grond ) en van wie ze zijn.
Als er ergens iets gebouwd wordt moet dat ook bij het kadaster geregistreerd worden.

Bij de bouw heb je altijd te maken met het kadaster.
Het landelijke kadasterkantoor staat in Apeldoorn. Elke regio heeft zijn eigen kadasterdienst.
Met eenvoudige vragen kun je bij de gemeente terecht.

Iedere gemeente heeft Bestemmingsplannen waarop staat wat en waar er gebouwd wordt.

Bestemmingsplan:


In het bestemmingplan van een gemeente staat precies waar alle grond voor gebruikt wordt.
Bepaalde stukken grond zijn bestemd voor industrieterrein.
Weer andere stukken grond zijn bestemd om woonwijken te bouwen, in die woonwijken moeten weer winkelcentra's en scholen komen.
Ook moeten er vaak stukken grond bestemd blijven voor landbouw, bos of groenaanleg.

Je kunt dus bij de gemeente kijken of er bouwgrond te beschikbaar is voor een huis, bedrijf, school enz. en hoe de situatie er nu en in de toekomst uit ziet.


Gedeelte van een bestemmingsplan van een gemeente.



3. De architect:



Architect.

Schetsontwerp.


De opdrachtgever weet meestal zelf weinig van het ontwerpen van een gebouw en wat daar allemaal bij komt kijken.
Daarom gaat hij naar een architect of bouwkundige.
De architect maakt met de opdrachtgever een voorlopig ontwerp, aan de hand van een Programma van eisen.
In het programma van eisen staan onder andere:
Als het voorlopig ontwerp naar tevredenheid is maakt de architect een definitief ontwerp, hierbij wordt de Arbo-co÷rdinator
nauw betrokken voor alles wat met veiligheid en arbeidsomstandigheden te maken heeft.
In het definitief ontwerp staan alle tekeningen van de aanzichten, doorsneden, constructies, vloeren, plattegronden en een situatieschets.
Bij het bij het definitieve ontwerp hoort ook een bestek, hierin staat precies omschreven hoe en met welke materialen het werk uitgevoerd moet worden.


Onderdeel bouwtekening.


4. Bouwvergunning:


Als alle tekeningen en het bestek klaar is mag je nog niet gaan bouwen.
Je moet eerst een bouwvergunning aanvragen bij de gemeente waarin je gaat bouwen.
De gemeente kijkt of het ontwerp voldoet aan allerlei wetten en regels.
Er moeten vaak veel formulieren en tekeningen ingediend worden met vragen over de materialen die gebruikt worden, de ligging van het gebouw, berekeningen van constructies, brandveiligheid, een uitslag van het bodemonderzoek enz. enz.

De gemeente kijkt: A of het gebouw past in het bestemmingsplan;
B. of het gebouw voldoet aan alle technische bouwzaken ( brandveiligheid - isolatie enz. );
C. of het gebouw wat betreft het uiterlijk voldoet. ( welstandscommissie ).

Als de welstandscommissie bijvoorbeeld vindt dat de buitenkant van het gebouw rare vormen en kleuren heeft en niet past in de omgeving, dan wordt er geen bouwvergunning verleend.
De architect zal dan het ontwerp moeten veranderen tot het wel wordt goedgekeurd, en de bouwvergunning wordt verleend.

Sommige gemeentes zijn zeer streng en kunnen de bouw zeer lang ophouden of vertragen voor dat uiteindelijk vergunning wordt verleend.

5. Aanbesteding:


Als de gemeente de bouwvergunning heeft verleend kan men beginnen met bouwen.
Men moet iemand zoeken die het huis, fabriek of school wil gaan bouwen, men moet een aannemer zoeken.
De architect houdt een aanbesteding, ieder aannemersbedrijf dat het gebouw wil maken kan de tekeningen en het bestek opvragen en een prijs gaan berekenen ( calculatie ).
Meestal wordt de aannemer met de laagste prijs gekozen ( gunning ).

Er zijn 3 soorten aanbestedingen.

A. Openbare aanbesteding:

Hieraan kan elke aannemer meedoen.
Iedere aannemer levert zijn prijs in, de architect en opdrachtgever bepalen wie het werk krijgt, meestal degenen met de laagste prijs.

B. Onderhandse aanbesteding:

Hier kiezen de architect en/of opdrachtgever een aantal aannemers uit. Deze maken een prijs en de laagste wordt gekozen.

C. Europese aanbesteding:

Het rijk, gemeente provincie of waterstaat laten soms hele grote werken uitvoeren.
Als de kosten hoger zijn als 5 miljoen euro, moet het bouwwerk Europees aanbesteed worden.
Bij een Europese aanbesteding mogen ook Europese landen hun prijs indienen.

6. Opzichter:


De opzichter is degene die de algemene leiding over de bouw heeft.
Bij kleine bouwwerken is de architect soms zelf ook de opzichter, meestal neemt de architect een opzichter in dienst.
De opzichter werkt in opdracht van de architect en de opdrachtgever.

De opzichter kijkt onder andere naar:

7. Hoofdaannemer - onderaannemers:


Het aannemersbedrijf dat de bouw gaat uitvoeren kan misschien niet alle werkzaamheden van de bouw zelf uitvoeren.
Het kan zijn dat hij daar niet de mensen, de nodige vakkennis of machines voor heeft.
In dat geval kan hij een onderaannemer aannemen.
Zo zijn er onderaannemer voor het grondwerk - metselen - installatie - elektra - voegwerk - schilderwerk enz. enz.

De hoofdaannemer blijft hoofdverantwoordelijk voor het werk.

8. Uitvoerder:


Bij hele grote aannemersbedrijven heeft de aannemer zelf niet zo veel tijd zich met de hele bouw te bemoeien.
Hij regelt de dingen op de achtergrond en is al weer bezig een volgend bouwwerk te regelen.
Daarom stelt hij een of meerdere soorten uitvoerders aan.
Deze heeft weer de leiding over de gehele bouw of een gedeelte van de bouw.
Bij grote bouwwerken heeft de uitvoerder weer een assistent uitvoerder.

Er zijn dus verschillende soorten uitvoerders zoals: hoofduitvoerder - uitvoerder - assistent uitvoerder.

9. Voorman:


Onder de uitvoerder staat de voorman.
Deze heeft de leiding over een kleinere groep werknemers.
Hij verdeeld het werk en overlegd met de uitvoerder.

10. De werknemers:


De laatste in de rij zijn de werknemers.
Zij zijn degenen die uiteindelijk het werk moeten maken.



Hoe groter een bouwwerk hoe uitgebreider de structuur zal worden.


Volgorde van werken:


Eerst wordt het bouwterrein klaar gemaakt.
Op de bouwplaats komen bouwketen - opslagplaatsen - schaftketen enz. enz.
Toegangswegen - riolering - elektriciteit - waterleiding - gasleidingen worden aangelegd.

Ruwbouw in fasen:
Afbouw in fasen:

Oplevering:


Bij de oplevering wordt het bouwwerk aan de opdrachtgever overgedragen.
Samen met de opzichter ( namens de architect ) en de aannemer ( of hoofduitvoerder ) wordt het werk nagelopen op eventuele gebreken.
Alles wordt genoteerd op speciale lijsten.
Deze gebreken worden hersteld waarna een tweede oplevering volgt enz. enz.
Als volgens alle partijen alles naar wens is ondertekenen de opdrachtgever en de aannemer de lijst. het gebouw is sleutelklaar.
De sleutel wordt overgedragen aan de opdrachtgever ten teken dat bouw klaar is.

Nu betaalt de opdrachtgever de laatste termijn aan de aannemer, meestal zo'n 5% van de bouwsom.
Zo lang bij de oplevering de eventuele gebreken niet zijn hersteld betaalt de opdrachtgever deze laatste termijn niet.




Terug Home Volgende pagina

Meten en uitzetten.